kracht, dit beetje leven nog uit hem weg zou glijden, - ja, dan zou het gelden. Maar dan zou er een ander kindje voor in de plaats moeten gaan, om het getal vol te maken. Misschien is het beter zo, want het is maar zo’n heel klein beetje leven. Straks, in de beestenwagen, als hij verzorgd wordt door wie er toevallig medelijden met hem heeft zal dat beetje leven wel weg glijden en dan hoeft er geen ander kindje voor hem in de plaats te gaan. Het is werkelijk beter zo . . .
In de eetzaal wordt de verduistering weggenomen, omdat de dag, de dinsdag, langzaam begint door te breken. Het ligt vol rugzakken, met namen en geboortedata, vol pakjes en etensnappen. De kinderen zitten, dik aangekleed en ongemakkelijk in hun bewegingen, op de banken en wachten. Ze drinken melk, - ze eten boterhammen, waar extra dik jam op is gesmeerd, - en de jongeren vinden het zo erg niet meer. De groteren houden een schijn op van onverschillige opgewektheid, om elkaar en om de kleintjes. Ze hebben honger van de doorwaakte nacht en happen met hun jonge tanden gretig in de ongewoon lekkere boterhammen. Als ze lang de schijn volhouden, zullen ze de werkelijkheid vergeten; dat willen ze wel graag.
Maar als de ordedienaar komt, het gezicht strak, omdat hij niet mag denken bij wat zijn wekelijkse taak is geworden, - dan wijkt de schijn opeens terug. Deze man is werkelijk. Hij komt ze halen.
Geen afscheid nemen, - toe, geen afscheid nemen en niet zo huilen, jullie grote meisjes . . . Niet zo op je lippen bijten, grote jongens, - huil dan nog maar liever ... O, - en kan dat kleine jongetje niet ophouden, zijn moeder aan te roepen, die er niet is? . . . En houdt die rij nooit op? Wordt alles leeg? Is dit het einde?
Ze kijken om en wuiven naar het kinderhuis. Maar de kleintjes, in dekens gewikkeld en op de arm gedragen, laten zich wegvoeren als willoze pakjes.
Niet wuiven, o, niet zo wuiven . . .
En niet meer omkijken .. .
151