HOOFDSTUK VII.
Alsof het de décors voor een tooneel waren, zoo werden kamer en inhoud voor de komende dingen gereed gemaakt.
„Als je maar wéét,” verzekerde Greet, „dat ik hier niet wèg te slaan zal zijn. Ik moet zoo iets mee beleven.”
„Ik ben veel te blij, dat je me terzijde zult staan in deze bange ure.”
„We zullen niet lachen en geen onvertogen woord over onze lippen laten komen, hè Wies?” vermaande Greet meer zichzelf dan haar groote zuster.
„Moet ik er ook bij blijven?” vroeg de heer des huizes angstig.
„Och, als je zoo graag wilt...”
„Mannen hoeven dat niet,” zei Greet goedig. „Toen je Fenna aannam, was ik er ook niet bij,” zei Bernard.
„Toe dan maar,” gaf Wies toe. „Wat ga jij dan doen intusschen? Want we moeten ook precies weten, wat er achter de schermen gebeurt.” „Fiedelen in de zijkamer, zou dat mogen?” „Nou... ? Zouden ze dat wel goed vinden? Misschien kunnen ze er niet tegen.”
„Dan is ’t meteen een goeie proef,” vond Ber-