104
nard. „Want wie hier in huis komt, moet tegen mijn gejammer kunnen, en dan weten ze ’t meteen.”
Er werd gebeld.
„O!” gilde Greet, „nou zul je ’t hebben!” „Weg!” wees Wies naar Bernard, „viool spelen of je leven er van afhangt!”
„Ben je mal, — eerst moet ik in de gang zien, of ze me inspireert. Op commando kan ik niet spelen.”
Greet opende de deur, Wies en Bernard als achtergrond achter zich wetende. Er stond geen meisje, maar wel een brutaal jochie met een beklad briefje: „Wij hebben een voetbalclub opgericht ...” en of de vriendelijke bewoners nu hun voetbal wilden opbrengen.
Met een grinnik liet Greet het aan haar achtergrond lezen.
„Hier jong,” zei Bernard royaal, en gaf hem drie centen, „van mijn armoei.”
Het jochie tikte aan zijn afwezige pet en trok zich bescheiden terug.
„Uilskuikens die we zijn,” zei Wies, „we hebben zelf in de advertentie gezet: aanmelden na half acht, — en ’t is pas kwart over zeven!”
„Ik maak niet meer open,” zei Greet beslist, „mijn zenuwen kunnen dat niet langer verdragen.” „Zenuwen!” — Wies schudde bedenkelijk het hoofd, — „in mijn tijd hadden kinderen die nog op school gingen geen zenuwen.”
„In jouw tijd maakten ze niet zulke zenuw-sloopende dingen mee. Meisjes op een advertentie audiëntie verleenen, — heb jij dat op mijn leeftijd moeten doen?”