101
„Ja mevrouw,” knikte Fenna ijverig. En ze fluisterde er achteraan: „De groeten aan Eetje en Teetje. — Dag juffrouw Greet,” tegen de verborgen Greet, die nu gerust te voorschijn kon komen, want Fenna’s moeder was al in volle kracht de gang ingezeild.
„Dag Fenna,” fluisterde Greet, met een eerbiedigen blik naar de gang, „hou je maar taai, hoor, en trek je er niets van aan.”
Fenna haastte zich de gang in, maar keek nog even met een zweempje van den ouden lach om naar Greet.
Toen de deur dicht was, liep Wies langzaam naar de kamer terug.
„Dag Greet,” zei ze, geforceerd vroolijk, „welkom. Ben je over?”
„Ja, ik ben over, en Marthi ook. Maar wat moeten we nu, nu Fenna niet terug komt?”
„Heb je geen taak of herexamen?”
„Ik heb geen taak en geen herexamen. Jakkes, wat komt dat er nou op aan, nu Fenna niet terugkomt?”
„Ezel,” lachte Wies, „dat komt er toch alles op aan! Als je een her had, zou ik je toch niet met een gerust geweten kamers kunnen laten aan kant maken en luiers laten wasschen?”
Greet keek Wies een oogenblik nadenkend aan. „Wat gek,” zei ze langzaam, „net wat moeder zei. Eerst dit, — eerst moet dit het belangrijkste voor je zijn, zei ze, — want eerder kun je niet gaan doen, wat je het liefste wilt.”
„Wil je dit dan het liefste? Niet studente zijn, — niet studeeren en een gezelligen tijd hebben met allemaal meisjes en jongens?”