98
„Ik ben haar moeder,” gromde de geweldige vrouw.
„O... maar... dan bent u beter...” stamelde Greet eerbiedig. Zoo’n moeder te hebben, — nou, daar hoorde moed toe!
Toen maakte Wies de deur open en de stoet van Fenna’s moeder, Fenna zelf en Greet trok naar binnen.
„Bent u beter?” vroeg Wies verheugd. „Komt Fenna terug?”
„Daar zullen we nog eens een woordje over praten,” verkondigde de enorme uit de hoogte.
„Ja,” zei Wies kleintjes, met angstige voorgevoelens. „Gaat u binnen.”
Waar Greet den moed vandaan haalde, om mee naar binnen te gaan, is haar nooit duidelijk geworden, maar een dankbare blik van Wies gaf haar genoeg durf om desnoods te riskeeren, dat de geweldige haar bij haar kraag eruit zou zetten. Ze maake zich klein en mager en geruischloos; dat voelde ze aan als de beste taktiek.
„Nou, Fenna, zeg je boodschap maar,” gebood Fenna’s moeder.
Fenna slikte.
„Mevrouw,” fluisterde ze, „ik kwam zeggen, dat ik er maar van af zag.”
„Waarvan af?”
Wies’ stompzinnigheid was volkomen eerlijk.
De moeder nam het woord van Fenna over.
„Van deze betrekking. Mijn kind kan wel be-trekkings zat krijgen, waar ze niet een dubbele kinderwasch heeft.”
Wies was een oogenblik met stomheid geslagen.
„Maar...” aarzelde ze tenslotte, „hoe komt dat