94
letje gegaan allemaal; Greet had nog niet eens wat van Wies en Bernard en de kinderen kunnen vertellen.
Uit de verte wenkte Greet: „Ja!”
Ja, ze was over, en Marthi ook; die kwam met haar mee, dan gingen ze daarna samen naar Mar-thi’s huis.
„Gefeliciteerd, hoor!” zei moeder blij en bekeek met een fijnproevers-gezicht het rapport. „Nou wordt het aanpakken: volgend jaar eindexamen!”
„Ja,” zei Greet, „en het gekke is, dat het eind
examen niet eens meer het belangrijkste van de wereld lijkt, sinds ik luiers wasch.”
„Niet het belangrijkste van de wereld,” zei moeder, „maar toch wel heel belangrijk. Want dat, waar je op een oogenblik vóór staat, moet het allerbelangrijkste zijn zoolang je er nog niet doorheen bent. Als er veel dingen tegelijk belangrijk lijken, is er géén belangrijk genoeg, om alles er aan op te offeren, — en dan kom je door geen
van de dingen heen.”
Greet keek gedachteloos naar buiten. Waarom zei moeder dit, — en waarom zei ze het met zooveel 'klem? Wist ze dan, dat ze ongemerkt het schoolgedoe zoo heel onbelangrijk was gaan vinden sinds de paar dagen, dat ze met Eetje had opgetobd, dat een heel gezin van voedsel voorzien moest worden en een huis er gezellig en bewoonbaar moest uitzien?
„Maar de luiers, die ik wasch, zijn belangrijker,” hield ze koppig vol. „Als de luiers niet gewas-schen worden, loopt het mis met Eetje en Teetje en als ik een les niet leer voor school, daar heeft geen mensch last van.”