208
„Dat moet ik zien!” riep Greet, en ze vergat alles van haarzelf.
In de huiskamer zwalkten Eetje en Teetje rond en midden in de box, voorloopig nog verbijsterd van vrijheid, lag Peetje.
„Hoe vind je hem?” vroeg Wies, en ging op den grond zitten bij het loophek, „wat vroeg is ie, hè?”
Greet ging óók op den grond zitten, achter het tegenovergestelde hekje. Ze legde haar armen op den rand van het hek en haar gezicht er boven op. Zoo zaten ze tegenover elkaar in stille beschouwing van het vrijheids-dronken Peetje.
„Je vraagt niet eens, wat ik hier kom doen,” verweet Greet tenslotte.
„Ja zeg!” schrok Wies. „Je voelde het zeker, dat hier zoo iets ingrijpends gebeurde.”
„Nee.”
Greet wachtte even, om het effect.
„Ik kwam namelijk heelemaal niet om jou.”
„Wacht es,” begreep Wies snugger, „om de baan?”
„Ja. Om de baan. En ’t is toch gebeurd! Ik kom er toch!”
’t Ging allemaal over Peetje heen.
„Ja? Wat is het?”
„Zul je niet schrikken?” begon Greet voorzichtig.
„Vooruit! Schiet op!”
„Herinner jij je, dat Heleentje nog geen nieuwe juf had?”
Wies sloeg met beide handen om den bovenrand van de box heen.
„Neeeeee! Dus dat was het!”
„Dat was het.”