207
„Dag,” zei ze, tegen haar vader en Greet tegelijk, „ik ga naar school.”
En Greet dacht, hoe ze na de vacantie hetzelfde tegen haar zou zeggen, ’s middags, en hoe ze dan om vier uur thuis zou komen en Greet weer vinden.
„En?” vroeg professor, toen Heleentje weg was.
Greet zuchtte diep.
„Vader en moeder vinden het goed. En ik wil het zelf zoo graag.”
Heleentjes vader knikte.
„Dat weet ik. En heb je alles goed overdacht, — al wat er bij komt kijken?”
„Ja,” zei Greet, „alles.”
„Ook dat het veel en veel moeilijker zal zijn dan schoolgaan en eindexamen doen?”
„Ja. Alles.”
„Ben je dan heelemaal niet bang voor dingen, die moeilijk voor je zullen zijn?”
„Natuurlijk!” zei Greet. „Natuurlijk ben ik daar bang voor. Maar als je iets zóó graag wilt, is het toch niet moeilijk?”
Professor knikte langzaam.
„Goed,” zei hij. „Zorg dan maar voor Heleentje.”
* *
*
Wies liep haar opgetogen tegemoet, vroeg heelemaal niet, hoe ze hier kwam.
„O, Greet, ben jij daar? Je komt op een belangrijk oogenblik in ons leven: Peetje ligt voor ’t eerst in de box!”