206
Niet eerst naar Wies gaan. Wies, die nog heelemaal niets wist. Dadelijk, zoo van ’t station, naar Heleentjes huis en zeggen, dat vader en moeder het goed vonden en dat ze na de vacantie bij Heleentje zou komen, voor Heleentje zou zorgen.
Wat liepen haar voeten licht! Wat was alles makkelijker dan een paar dagen geleden, toen het niet anders was dan een onzinnig waagstuk, dat nog niet eens heelemaal was doorgedacht!
Toen de deur openging, stond ze vlak tegenover Heleentje.
„Dag juffrouw!” zei Heleentje verrast en Greet zag dadelijk, dat ze er nog niets van wist.
„Ben jij niet naar school?”
„Ik moet over vijf minuten weg.”
Greet dacht even: „Jammer,” want dan kon ze het haar niet zelf vertellen, als ze met professor gesproken had. En terwijl ze wat peinzend naar Heleentje keek, zag ze opeens, dat ze in dit jaar een heel stuk gegroeid was. Ze schrok er een oogenblik van: niet het kind, dat ze in haar gedachten had, kreeg ze te verzorgen, maar een grooter kind, — een echt meisje al.
Zou ze ’t wel kunnen?
Maar toen kwam de zekerheid, de roekeloosheid haast, weer over haar: ze kon het, ze kon het zéker! In Heleentjes lengte zat het ’m niet; ze was toch dezelfde gebleven, al was het gezichtje iets minder rond, al waren de armen en beenen wat langer dan verleden jaar.
„Is je vader thuis?” vroeg ze. „Ik moest je vader wat vertellen.”
Heleentje bracht haar naar vaders studeerkamer, en wist niet, dat Greet dezen weg al kende.