205
„En als het dienstmeisje nou eens ouder is dan
jij?”
„Daar heb ik ook al aan gedacht, — later, toen er nog niets van kwam. — En toch geloof ik, dat ik het kan.”
„En als je nou eens stommiteiten begaat, van die echte, die den heelen boel in de war sturen?” „Dan zal ik probeeren, ze weer goed te maken.” „Dat zal niet makkelijk zijn.”
„Weet ik wel. En toch geloof ik, dat ik het kan.”
Moeder keek Greet met een lachje aan. Wat voor lachje? Was het een klein beetje spot, omdat ze zoo vast en zeker geloofde, dat ze het kon?
„Hoe weet je dat toch, kind? Het is zoo veel verantwoordelijker dan schoolgaan.”
„Omdat,” — ze greep even naar den brief, wees moeder op die paar regels, — „omdat Heleentjes vader zelf gelooft, dat de moeilijkheden wegvallen, als een taak met zooveel geestdrift aanvaard wordt. O, Moeder, — en deze taak, — Moeder, ik heb er zoo’n heele massa geestdrift voor. Ik doe het zoo graag.”
„Er is meer noodig dan geestdrift,” zei moeder ernstig.
„Ja,” knikte Greet, „dat weet ik. En dat andere, dat ervoor noodig is, — dat heb ik ook.”
„Ga dan maar,” zei moeder. „Dan zul je het wel kunnen.”