204
haar eigen gedachten, „dat u mijn einddiploma een bezwaar zou vinden.”
„Hoezoo?” vroeg moeder verbaasd.
Greet lachte.
„Ik vond het net zoo raar als u het nu vindt. Hij dacht, omdat ik de vijfjarige had afgeloopen, dat ik... nou ja, dat ik voor iets anders in de wieg was gelegd dan voor huishoudelijk werk.” „Als je toch huishoudelijk werk het liefste doet?” vroeg moeder onnoozel. „Wat heeft dat einddiploma er dan mee te maken.”
„Dat heb ik ook gezegd. Hij dacht, dat je dan moest studeeren of zoo iets. Het komt zeker, doordat Heleentjes groote zusters zoo knap zijn en zoo graag studeeren. Anders begrijp ik het niet.”
„Nee, want wat je op school geleerd hebt, en wat nu vastgelegd is in je einddiploma, dat heeft toch niets te maken met het werk, dat je kiest. Dat is je bezit en dat houd je en dat kan niemand je afnemen. Voor sommig werk is het makkelijk, dat je dit einddiploma hebt, — maar als je keus nu een anderen kant uitgaat?”
Greet gaf moeder opeens een zoen.
„Zie je wel, — ik wist het wel. Ik kon het professor niet zoo precies uitleggen, hoe ik wist dat vader en u er over zouden denken. Ik was trouwens veel te verbouwereerd. Maar ik wist het.”
„Ja maar,” zei moeder verstandig, „dit is het ééne punt. Maar de goeie man had groot gelijk toen hij het te moeilijk voor je vond. Want je bent er niet alleen als gezelschapsdame voor Heleentje!"
„Weet ik wel,” zei Greet. „En toch geloof ik, dat ik het kan.”