199
„Ik hèb geen gezicht als een uitgeknepen citroen,” kwam Greet koppig. „Het kan me niet eens wat schelen.”
„O. Ik dacht het. Wat was het voor baan?”
Greet was even stil. ’t Zou wel opluchten, als ze het heele geval aan Wies vertelde. Bernard hinderde er niet bij.
Maar toen schudde ze het hoofd.
„Nee. Als het gelukt was, had ik het je natuurlijk verteld. Maar laat ik het nu maar... inslikken.”
Ze slikte inderdaad wat in.
„Had je het zóó graag gewild?” vroeg Wies warm.
„Ja,” knikte Greet. „Maar je moet niet vriendelijk tegen me zijn, want daar kan ik op ’t oogen-blik niet tegen.”
„Onvriendelijkheid is meer mijn afdeeling,” mengde Bernard er zich schuldbewust in. „Waar gaat het eigenlijk over?”
„O,” deed Greet luchtig, „ik heb geheime paden bewandeld, en die liepen dood.”
„Moet je opnieuw beginnen,” ried Bernard.
Greet keek verrast op. Het eenige woord, dat hij in zijn onschuld zei, — was een wijs woord.
„Ja,” knikte ze dankbaar naar Bernard. „Ja, — ik zal opnieuw beginnen.”