195
Je zou een veel te volwassen plaats innemen. Want het is niet alleen het verzorgen van Heleentje, — het is de heele huishouding, — het omgaan met het meisje, — en aan alles denken. Dat kan niet. Dat kun je heusch niet.”
„Ja,” knikte Greet, verslagen.
„Als je met je handen in ’t haar zou zitten, omdat het te moeilijk was, — dan zou ik het me verwijten. Want om Heleentje de gezelligheid te geven, die... die ze zoo mist,... die jij haar zoudt willen geven, — daarvoor mag ik je niet aan een werk wagen, dat te moeilijk voor je is.”
„Nee,” schudde Greet.
Ze vond alles goed, wat hij zei. Hij had immers gelijk. Het was al lief genoeg van hem, dat hij haar niet uitkafferde, omdat ze hierheen had durven komen. Deze vader van Heleentje zou wel nooit iemand uitkafferen. Maar hij was toch in zijn volste recht geweest, als hij het had gedaan.
„Ga nu maar naar huis,” knikte hij haar hartelijk toe. „En bedenk in de vacantie, wat je na de vacantie wilt gaan doen. Hè?”
„Ja,” zei ze gedwee.
Hij stond op.
„Goeienavond dan,” zei hij, en hij stak zijn hand uit. „En dan wensch ik je vast succes met je studie na de vacantie.”
„Studie,” dacht Greet. „Nooit.”
Want sterker dan tevoren had ze hier gevoeld, waar haar werk lag. Niet bij Heleentje, — o, niet bij Heleentje, — maar in een huis, bij levende kinderen, of het nu kleine of groote kinderen waren, — ergens, waar wat te verzorgen viel.
Ze legde haar hand in die van professor.
13*