194
Het is ook erg mal, dat ik dacht, dat ik het kon. Maar... of het nou een baby is of Heleentje, — het is toch verzorgen. Dat is toch wel een beetje hetzelfde.”
Hij zat nu stil, met de kin op z’n ééne hand, de andere hand spelend met een potlood. Hij keek recht voor zich uit, niet naar Greet en nergens naar.
Wat duurde dat lang, deze stilte. Greet had al heelemaal geen hoop meer, — ze zat zich af te vragen, hoe ze eigenlijk zoo iets mals in haar
hoofd had gehaald. Ze wou hem wel graag zeggen, dat het haar speet, en dat hij het haar niet kwalijk moest nemen en dan stilletjes, stilletjes
aftrekken. Maar nu, in die stilte, die bange stilte, kon ze het niet. Ze probeerde een beetje rond te kijken, om de stilte niet zoo te hooren. Tegenover haar hing een portret; een vrouw, die een beetje op Greets eigen moeder leek, de oogen tenminste, — verder eigenlijk heelemaal niet. Zeker Heleentjes moeder. Ze zou maar naar Heleentjes moeder blijven kijken en stil wachten, tot professor wat ging zeggen. Misschien ging hij wel nooit meer wat zeggen; dan zou ze hier altijd blijven zitten, en naar Heleentjes moeder kijken ...
Eindelijk, toen Greet net dacht, dat het wel altijd stil zou blijven in deze kamer, kwam professors stem, als van heel ver:
„Het is erg lief, dat je Heleentje zoudt willen verzorgen, — maar het kan niet.”
Ze vroeg niet: „Waarom niet?” Het was zoo
vanzelfsprekend, dat het niet kon. Het zou zoo
dwaas geweest zijn, als het wèl had gekund.
„Het is veel te moeilijk. Je komt net van school.