193
Greet keek verbaasd op.
„Mijn einddiploma hoeft me toch niet in den weg te staan!”
„Nee, — het moet je juist den toegang openen tot werk of studie, waar je door deze opleiding geschikt voor bent gemaakt.”
Greet schudde het hoofd, koppig.
„Als dit werk nu het liefste is, dat ik ooit zou willen, — dan hoeft mijn einddiploma daar toch geen belemmering voor te zijn?”
Hij ging voort, met zijn uitgespreide vingers door het grijze haar te strijken. En intusschen keek hij Greet oplettend aan.
„Hoe weet je, dat je dit werk het liefste doet? Je hebt het toch niet geleerd?”
„Niet geleerd. Maar wel toegepast.”
„Terwijl je op school ging?”
„Nee, in de vorige vacantie. Toen had mijn zus geen hulp, — en toen ben ik er geweest om te helpen. Er waren toen nog maar twee jongetjes.” „Dat weet ik,” knikte hij langzaam. „Van Heleentje.”
En met een lach:
„Heleentje houdt me op de hoogte van het kindertal bij haar vioolmeester.”
Greet hield vast, met den moed der wanhoop. „Dus dan heb ik het werk eigenlijk wèl geleerd.” „Welk werk?”
Hij was hier méér examinator dan hij gisteren was geweest.
„Huishouden, — en verzorgen. Kinderen verzorgen.”
„Heleentje is geen baby!”
„Nee,” zei Greet mistroostig. „Dat weet ik wel.
Tante Griet. 13