192
leen maar een kind in haar en niet iemand, die voor Heleentje zou kunnen zorgen.
„Dat was verleden jaar,” vertelde ze, eerlijk, maar zonder eenige hoop meer. „Ze zat bij me in de keuken. Ze vertelde, dat ze bij de moeder van juf zou gaan logeeren. Weet u wel? En het duurde een beetje lang, voor mijn zwager thuis kwam. Toen vroeg ik, of ze thuis dan niet ongerust werden, als het later werd. En toen zei ze ... dat het niets hinderde, — dat juf toch niet ongerust werd. En toen dacht ik: als ik haar juf was, zou ik gezellig ongerust over haar zijn. Dan verlangde ze ook naar huis.”
Wat zat ze toch veel te praten hier! Alles, wat ze nooit aan iemand anders verteld had, — en dat tegen een examinator van gisteren.
Ze had het gevoel, dat ze zich verdedigen moest.
„Het kwam ook zoo toevallig,” klaagde ze. „Dat Wies het net vertelde, toen ik door mijn eindexamen was.”
Het bleef een poosje stil. De professor streek met zijn hand door de grijze kuif.
„Wat zeggen je ouders ervan?” vroeg hij tenslotte, zacht.
Greet bloosde diep.
„Ik heb het vanmiddag bedacht, — en uitgevoerd. En ik... heb er niemand wat van gezegd.”
Hij glimlachte even en schudde het hoofd.
„Wat onbesuisd,” — maar het was bijna geen verwijt.
„Ja,” knikte Greet schuldbewust.
„Je ouders zouden het zeker niet goedgevonden hebben, als je hun had gevraagd. Heb je daarvoor je einddiploma gehaald?”