190
En ik wist het niet!”
Ze zat nu tegenover hem, en ze begreep maar niet, hoe ze gisteren en eergisteren niet gezien had, dat het Heleentjes vader was. Ze leek zoo precies op hem!
Het bracht haar heelemaal van haar onderwerp af; ze moest er even aan wennen, dat ze nu tegenover hem zat met het verlangen, de juf van zijn jongste meisje te worden, — en dat ze gisteren nog een schoolkind was, dat haar kennis voor hem moest uitstallen.
Jammer, — jammer eigenlijk, dat hij haar als schoolkind had gezien. En ze had nog wel zoo volwassen willen lijken voor hem!
„En — wat was er met Heleentje?” vroeg hij vriendelijk.
Nu moest ze het zeggen, dat, wat ze nog niet eens ten volle uit bedacht had.
„Mijn zuster vertelde, dat Heleentje in de vacan-tie bij haar komt logeeren.”
„O, is dat uw zuster?” vroeg hij verrast. Hij zei tenminste nog „u”. Dat had hij gisteren trouwens ook gedaan.
„Ja, professor. En ... en ...”
Nu moest ze met haar ongelooflijke brutaliteit voor den dag komen. Ze kon het niet. Ze durfde opeens geen stap verder.
„Toe maar!” zei hij, haar verlegenheid ziende. „Gisteren hoefden de leeraren niet zoo te trekken!”
Wat een schat was het. Nu flink zijn, — nu laten zien, dat ze geen klein, verlegen meisje was. Ze moest het waard zijn, dat hij haar zoo tegemoet kwam.
„Ik ken Heleentje. Ik was er een paar keer,