HOOFDSTUK XIII.
Toen ze „Ja?” had gehoord op haar o zoo zacht tikje, en toen ze de deur van de studeerkamer voorzichtig open had gemaakt, — toen bleef ze een oogenblik onthutst op den drempel staan, haar mond sprakeloos open van verrassing:
Ze kénde hem! Ze kénde Heleentjes vader!
Even warrelde het door haar hoofd: waar? wanneer? Deze kleine, tengere man, met den krans van grijs haar om het hooge voorhoofd, met de zonnige, donkerblauwe oogen, — Heleentjes oogen, — waar? wanneer?
O, — maar pas geleden! Gisteren nog!
„Maar wij kennen elkaar!” kwam de warme stem, en met een uitnoodigend gebaar wees de smalle hand op een stoel tegenover hem.
Het was dat uitnoodigende gebaar, dat Greet duidelijk maakte, waar ze hem gezien had, gisteren nog. Dat gebaar had hij ook gehad, toen ze aan zijn talen-tafeltje moest gaan zitten, — gisteren, op ’t examen. Hij was gecommitteerde geweest en ze had zijn naam niet geweten! Hij had erbij gezeten, toen haar eigen leeraren haar vroegen, alles vroegen wat ze wist, — en ze had niet geweten, dat het Heleentjes vader was!
„Ja,” zei Greet, een oogenblik blij met de herkenning, „gisteren heb ik examen bij u gedaan.