188
„Ja, dat heb je zoo met die geleerde lui,” wist hij.
In Greets doffe hersenen kwam de vraag: geleerde lui? Hoe weet hij van geleerde lui? O ja: professor. Dat had hij afgeluisterd. O, ze zou hier nooit meer in den winkel komen!
„Maak nou maar gauw, dat je weg komt,” zei hij grappig, „want ik moet sluiten en anders krijg ik met de politie te doen.”
Op straat, buiten den benauwden winkel, buiten het gezelschap van dien ontzettenden kruidenier, begon ze een beetje bij te komen. Ze veegde met een zakdoek het zweet van haar voorhoofd en ademde eens diep. O, het bezoek bij den vader van Heleentje kon nooit erger zijn dan deze telefonade. Dit was wel een vuurproef geweest.
Ze wist den weg wel zoo’n beetje. Zou ze ’t in een kwartier halen? Probeeren maar. Hollen kon ze voorloopig niet meer, na wat ze had doorgemaakt. En nog liever dan amechtig en half dood voor den prof te verschijnen, wou ze een paar minuten te laat komen. —
Ze kwam niet eens te laat. Toen ze op de stoep stond en aanbelde, had ze niet eens zoo’n erge kleur meer. En toen een oudere dame, met een grijze jurk, grijzend haar en grijze, koele oogen, de deur voor haar openmaakte, had ze al haar heele zelf teruggevonden. Door de noodzaak, om flink en rustig te zijn.
Want nu, — nu kwam het er op aan. Nu méér nog dan straks voor de telefoon.
Nu moest ze toonen, hoe volwassen ze wel was.