187
een kwartier kunt komen, ben ik wel even vrij.” „Goed,” zei Greet beklemd. Ze moest nog nakijken, hoe ver dat adres hier vandaan was. „Dag professor.”
„Tot straks.”
Dit was gebeurd. Ze wendde zich, badend in ’t zweet, om tot den kruidenier.
„Dat duurde ook niet kort,” verweet de kruidenier goedmoedig.
„Ik kon het niet helpen, — ze lieten me even wachten.”