185
Het hinderde haar opeens verschrikkelijk, dat de kruidenier niet „juffrouw” tegen haar zei. Dat, wat ze ging ondernemen, eischte in de eerste plaats volwassenheid.
„Hebt u een telefoonboek?” vroeg ze voornaam en volwassen.
„Dat hangt anders vlak voor je neus,” lachte de kruidenier.
Greet was zóó verbouwereerd door de vernedering en doordat het telefoonboek vlak voor haar neus hing, dat ze zoo gauw geen waardig antwoord kon bedenken, en met blinde oogen en onhandige vingers zoo maar wat in het telefoonboek ombladerde.
Maar toen ze zich wat hersteld had, zocht ze den naam van Heleentjes vader op. En had den moed om op te bellen ook.
Een vrouwestem. Wie? De groote zus? De juf, die er nog was? Alle mogelijkheden flitsten door Greets brein.
„Is professor thuis?” fluisterde ze bijna.
„Professor heeft nu een paar studenten bij zich. Kan ik de boodschap overbrengen?”
„Professor,” zei de vrouwestem. Niet: „vader”. Het moest de juf dus wel zijn. O, wat was het allemaal moeilijk. Zou ze maar zeggen: „verkeerd verbonden”, en den haak neerleggen? Nee, daar was het nu te laat voor.
„Ik... eh, ik zou professor graag even spreken. Kan dat?”
„Telefonisch?”
„Nee, — o nee, niet telefonisch!”
Het schrikbeeld doemde voor haar op: hier in den kruidenierswinkel, met den kruidenier, die haar niet voor vol aanzag, vlak bovenop de telefoon en