184
om ze zoo graag wou, dat niemand er van wist,
— „omdat ik niet zoo erg vast sta in mijn besluit. En als jij er van weet, dan ga je me beïnvloeden,
— en dat kan er niet af, — dat zou er af kunnen, als ik zelf alles heel duidelijk wist, — begrijp je?”
„Een beetje,” peinsde Wies.
„Zal ik dan nu maar weg gaan?” vroeg Greet kleintjes.
„Ja dochter. Je bewandelt toch wel het pad der deugd?”
„Nou? Daar zou ik maar zoo zeker niet van zijn!”
„Dan kan ik je niet laten gaan. Ik ben verantwoordelijk, zie je.”
„Weet je wat? Geef me je zegen. Dat kan nooit kwaad.”
En, ineens ernstig:
„Nee, echt. Ik meen het echt. Denk maar een beetje vriendelijk aan me.”
Wies knikte.
„Als je wist, hoe vriendelijk ik aan je denk... wat het ook is, — hou je maar taai, hoor!”
En zoo ging Greet de deur uit: zich vergezeld wetend van Wies’ vriendelijke gedachten en nog maar altijd zoekend, wat ze eigenlijk van plan was te doen.
„Hij is professor. Hij zal wel telefoon hebben,” was haar eerste verstandige gedachte. En meteen ging ze den kruideniers-winkel binnen, waar Wies altijd mocht telefoneeren, als het noodig was.
„Mag ik even telefoneeren?” vroeg ze, met een schuldig gezicht.
„Ga je gang, hoor.”