183
een zeldzame rust in het huis bewees, dat de jongens na hun vermoeienissen dadelijk in slaap waren getold, „dat Heleentje hier komt.”
„Ja, ’t is zoo’n gezellig kind. Ze vindt het zelf verrukkelijk, om bij de jongetjes te mogen zijn. ’t Is bij hen thuis zoo volwassen allemaal, dus dit is echt iets nieuws voor haar.”
„Dat weet ik,” zei Greet met een kleur. „En haar juf was ook nogal oud.”
„Kende je haar juf dan?” vroeg Wies verbaasd. „Nee, maar ze heeft me er verleden jaar van verteld. Toen ging ze met juf bij de moeder van juf logeeren. Dan heeft ze ’t van ’t jaar gezelliger.” „Ja, — eigenlijk een bof voor haar, dat juf nu net weg ging.”
„’t Hangt er van af, hoe de nieuwe is,” durfde Greet, een beetje heesch, en met nog een ergere kleur.
Verder durfde ze niet op het onderwerp door te gaan.
Maar toen ze hadden gegeten en afgewasschen, en toen Wies zei: „Heerlijk, nu hebben we nog een paar uur voor ons, voordat je weg moet,” — toen raapte ze, met een gevoel, of ze van den toren in ’t zwembad sprong, al haar moed bij elkaar en zei: „Zeg Wies, ik moet eerst nog een boodschap.” „Een boodschap? Hier?”
Wies was zoo uiterst verbaasd, — wat maakte dat het moeilijk!
Met een vreemde, vlakke stem zei Greet:
„Ja, Wies, wil je erg lief zijn en niet vragen, wat het is?”
„Waarom niet?”
„Omdat,” — ze moest zich even bezinnen, waar