182
onheusch kon je als dame toch ook weer niet zijn tegenover je heer, om die pogingen te laten stranden op zwijgzaamheid.
Wat ze hier deed? Meerijden, — zich laten meevoeren, — en dan verder zien, wat er zou gebeuren. Verder kon ze voorloopig niet komen. Er was een vage verwachting in haar, dat ze op de één of andere manier naar Heleentjes huis zou komen, en dat ze daar iets zeggen zou, — iets vragen, — ze wist niet precies ...
En vóór ze er achter gekomen was, wat ze hier eigenlijk uitvoerde, stapten ze al uit en laadden ze de drie jongetjes uit den trein.
„Wanneer men verre reizen doet, dan kan men veel verhalen,” zei Wies tot Teetje, die aan één stuk door redeneerde, veel spraakzamer dan hij thuis nog ooit was geweest.
Eetje was stil en moe; de ontdekkingstochten hadden veel van hem gevergd. Peetje daarentegen, een beetje uit z’n gewone doen, klaagde en jengelde wat.
„Dat hebben we alweer gehad,” zuchtte Wies, toen Peetje tenslotte tevreden was en in zijn eigen wieg lag, terwijl Eetje en Teetje een ’s morgens al voorbereid maal nuttigden. „Fijn, dat je mee bent gekomen, Greet. Als eenige vrouw tusschen al die mannen was mijn thuiskomst wel wat troosteloos geweest.”
Greet voelde het als een oneerlijkheid, dat ze eigenlijk niet om Wies was meegegaan. Waarvoor ze dan wèl was meegegaan, was haar nog altijd niet duidelijk.
„Wel leuk voor je, hè?” zei Greet, toen ze met z’n drieën groote menschen om de tafel zaten en