181
durf niet naar boven gaan en de verwoestingen aanschouwen, die ons sportieve type heeft aangericht.”
„Struisvogel-politiek,” minachtte Bernard. „Wie gaat er mee naar boven?”
Ze durfden alle drie: Bernard, moeder en Greet. Alleen Wies, haar zoon kennende, bleef als een echte struisvogel met de handen voor de oogen zitten afwachten, welke S.O.S.-berichten er van boven zouden komen.
Het viel nogal mee. Het licht was aan, want Eetje had het koordje uit het bed nog net kunnen bereiken. En naast de waschtafel was het behang in reepjes gescheurd. Maar verder stond alles op zijn plaats.
„Hindert niet,” zei de grootmoeder dapper, „we moesten toch binnenkort nieuw laten behangen.”
Teetje, die wijd-wakker had liggen kijken naar de lamp, toen de deputatie binnenkwam, keek ze vriendelijk aan. Toen wees zijn puntig viool-vingertje omhoog.
„Lichie,” zei hij verheerlijkt, — „mooie lichie.”
* *
*
In den trein, met Teetje op haar schoot, — Bernard had Eetje onder zijn hoede genomen en Wies waakte naast Peetjes mandje, — probeerde Greet telkens te bedenken, wat ze hier eigenlijk deed. Ze had niet veel gelegenheid om na te denken, want Teetje was door zijn kort middagslaapje behoorlijk opgefrischt, en deed herhaalde pogingen tot een vlotte conversatie met zijn dame. En zóó