180
dat er bestaat. Niet, Wies? En moeder, onthoud wat ik nu zeg: die gaat later veel beter vioolspelen dan ik.”
„Hoe weet je dat?” vroeg Greet.
„O,” — Bernard liep warm, — „moet je dien vorm van zijn handjes zien! En moet je hem zien luisteren, als ik speel! Dan is hij heelemaal in een andere wereld. Als je het niet gelooven wilt, moet jij weten, — maar je zult eens wat zien!”
Wat fantaseerden vaders al ver vooruit, dacht Greet. Nog geen twee jaar was het violistje, en nu wist Bernard al zeker, dat hij beter zou spelen dan hijzelf.
„Ga je hem zelf les geven?” vroeg ze.
„Je spot er mee,” zei Bernard, jongensachtig beleedigd.
„’t Lijkt wel, of niet Peetje, maar Teetje dat streepje voor heeft bij jou,” kwam moeder, met een wenkje naar Wies.
„Heelemaal niet!” hapte Bernard verontwaardigd toe. „Als ik nou door m’n vak een beetje kijk heb op Teetjes aard, dan heeft hij nog geen streepje voor! Ik vind Eetje juist een echten kerel, — zoo’n sportief type, dat precies weet, wat hij wil.”
„En dat zelfs de generaal om zijn vinger kon winden,” vulde Wies den lofzang op haar zoon aan.
„Stil even,” zei Greet, „ik hoor wat boven ons hoofd.”
Ze waren stil. Boven hun hoofd was op den vloer een licht, maar toch duidelijk „bonk-bonk-bonk” te hooren, als van kleine, bloote voetjes.
„Het sportieve type,” begreep Wies. „De echte kerel, die precies weet, wat hij wil. Bernard, ik