179
ik zoo graag een gezellig thuis wou geven, —
waar ik zoo graag ongerust over zou zijn, als ze
later thuis kwam ..
Hier kon ze niet doordenken. Ze moest ieder oogenblik klaarstaan om een antwoord te geven, als er iemand wat tegen haar zei. Ze mocht nu niet langer aan dien onzin blijven denken, — geen oogenblik ...
En juist doordat ze niet mocht doordenken, kwam ze plotseling voor den dag met het roeke-looze besluit:
„Zeg, jongens, weet je wat ik doe? Ik breng jullie vanmiddag terug en dan kom ik met den laatsten trein weer naar huis.”
„Eenig!” juichte Wies. „Dan nemen jij en ik
elk een tweeling op schoot, en dan kan Bernard zijn volle aandacht wijden aan zijn jongsten spruit. Die heeft tóch al een streepje voor bij hem, maar de omstandigheden brengen mee, dat hij zijn aandacht moet verdeelen.”
„Ik geef net zooveel om Eetje en Teetje als om Peetje,” verdedigde Bernard zich.
Wies knikte tegen moeder: ze kon Bernard zoo fijn op stang jagen, als ze hem van voorkeur voor één van de jongetjes beschuldigde. Dan kwamen er altijd lofliederen los op het kind, dat vermeend werd minder zijn belangstelling en genegenheid te bezitten.
Zoo ook nu: Eetje bleek bijvoorbeeld een beminnenswaard karakter te hebben. Moed en onverschrokkenheid sierden hem, ondernemingsgeest en energie, en een uitgebreid gevoel voor humor.
„En Teetje dan?” vroeg de grootmoeder. „Teetje? Dat is het liefste, zachtste jongetje