177
Ze kon zich wonderwel schikken, zoo zonder moederhart. Straks, als ze in haar eigen huis terug was, zou haar moederhart wel weer ingeschakeld worden en weer in functie treden, — nu was ze alleen maar kind van vader en moeder.
„Ik krijg er nog een dochter bij in de vacantie,” vertelde ze.
„Ja? Wie? Ik soms?”
„Nee: Heleentje.”
„Wie is Heleentje?” vroeg moeder.
„Wat fijn voor jullie!” zei Greet, een beetje afgunstig. „Gaat ze van ’t jaar niet met haar juf mee?”
„Wie is Heleentje toch?” vroeg moeder weer, nieuwsgierig door Greets geestdrift.
„Heleentje is van mij,” schepte Bernard op. „Ze speelt viool bij mij.”
„En hoe komt ze dan bij jullie te logeeren?” „Heleentje heeft geen moeder meer,” legde Wies uit. „En haar groote broer en zusters gaan op reis in de vacantie en haar vader ook, want die is professor en die moet altijd in de vacantie op reis voor congressen. En daarom komt ze bij ons.” „’t Vorige jaar ging ze bij haar juf logeeren,” zei Greet.
„Ja, maar die juf gaat vóór de vacantie weg.” Greet kreeg een plotselinge, onverklaarbare kleur. Niemand zag het gelukkig, maar de angst, dat iemand het zou zien, deed de kleur benauwend lang aanhouden.
Toen de kleur weggezakt was, vroeg ze zacht, bijna onverschillig:
„Gaat haar juf weg? Voor goed?”
„Ja.”
Tante Griet. 12