HOOFDSTUK XII.
Het thuiskomen van vader en zijn verbazing over de aanwezigheid van zijn drie kleinzoons, — van wie de jongste sliep, — het telefoneeren naar Marthi’s huis, dat ze hier bleef eten, — het was allemaal van een feestelijkheid, zooals Greet het niet had durven hopen.
Als groote heeren aten Eetje en Teetje in blokjes gesneden boterhammen mee aan tafel. Ze slobberden onhandig melk uit een kopje, maar Wies, met wijs-vooruitziend en geest, had slabbetjes meegebracht. Ze mengden zich als kleine echo’s in de gesprekken en namen alle allures aan van groote zoons, die met de ouwelui bij de ouwelui
van de ouwelui op bezoek zijn.
Vader vertelde, dat hij vanmorgen Greets en Marthi’s Baas op straat voorbij had zien komen, en dat hij extra diep gedopt had.
„Bah,” zei Teetje nadrukkelijk.
En terwijl Greet zich afvroeg, of hij dat diepe doppen van zijn grootvader soms voor kruiperigheid of huichelachtigheid aanzag, — en dat was
toch heusch niet zoo, want ’t was diep-gemeend en ze hadden altijd al van den Baas gehouden, geslaagd of niet, — barstte Wies in een loflied uit op Teetje, die zoo’n groote jongen was, die