167
„Nee,” zei Marthi, „raar gevoel, hè?”
Ze waren niet zoenerig van aard, — maar op dat oogenblik, tegelijk, gaven ze elkaar een zoen.
Omdat het voor ’t laatst was. Omdat ze zoo veel samen hadden beleefd. Omdat voor haar beiden nu iets heel nieuws begon.
Omdat, door alle vreugde van het slagen heen, het onbestemd weemoedige van een afscheid zich even, éven deed vermoeden.
* *
*
Dien avond, in den nog altijd stroomenden regen, reed het heele geslaagde troepje in rijtuigen, — heusche, ouwerwetsche rijtuigen met een peerd ervoor, — door de stad. De jongens lawaaiden als echte studenten, want dat waren ze nu zoo min of meer en de meisjes joelden ook zoo’n beetje en wuifden naar wie ze kenden onder de voorbijgangers. De regen deed niets af aan hun plezier, maar wel, dat ze zoo moe waren, zoo onmogelijk moe van die twee gespannen dagen en de emotie van den uitslag. Daardoor werd het wuiven een beetje houterig en het schreeuwen en joelen een beetje gewild. En toch hadden ze deze onderneming voor geen goud willen missen.
Thuis was er taart en limonade en een antwoord-telegram op vaders bericht aan Wies en Bernard: „Zalig. Komen morgenochtend. Bernard. Wies.” Dat was een meevallertje. Bernard en Wies tegelijk overkomen, — dat was nog niet gebeurd sinds de geboorte van de tweelingen. O, het was heerlijk om te slagen!