166
zussen en de enkele wachtende vaders en moeders tegemoet.
Marthi werd opgewacht door Paul, die zijn eigen eindexamen-dagen opnieuw beleefde en z’n heele pose van student liet varen, toen hij zijn zus op de schouders mepte.
Greet werd door niemand opgewacht. Vader en moeder had ze gesmeekt, niet te komen, omdat ze ’t zoo pijnlijk vond, als ze zakte. En Wies woonde in een andere stad en een broer, den broer, waar ze haar heele leven naar verlangd had, — nou, dien had ze niet. Maar Marthi was wèl precies een zus voor haar...
„Ik ga in dien sigaren-winkel naar je huis tele-foneeren,” zei Paul hartelijk. „Fietsen jullie dan maar meteen door.”
„Aardig van hem, hè?” zei Marthi, toen hij den winkel in was gegaan. „Zoo is hij nog nooit voor ons geweest.”
Greet zei niets. Ze kon zoo gauw alles niet verwerken. Geslaagd. Geslaagd. O, ze had niet geweten, dat slagen zóó heerlijk was. Examen doen was een bezoeking, — nee, het examen zelf niet eens zoo, maar de spanning, de onzekerheid, — maar slagen maakte alles goed. Ze kon zelf nog niet begrijpen, wat het allemaal beteekende, geslaagd te zijn. Later, — later zou het wel tot haar doordringen in al z’n ongelooflijke waarheid.
Vóór Marthi’s huis stapte ze van de fiets, — reed niet door, zooals ze alle dagen gedaan had in die vijf jaren.
„Zeg, — nu zullen we niet vaak meer samen van school komen,” zei ze, verlegen tegenover haar eigen vriendin.