164
als ze had gedacht. Want er was één gedachte, die haar wakker hield:
„Morgenavond weet ik het.”
Morgenavond, — als ze morgenavond naar bed ging, was het met de wetenschap, dat ze... dat ze... ze durfde het haast niet uitdenken. Als ze er door was, morgen, dan — hoe moest dat wel voelen, als je door je eindexamen was? Nooit meer naar de school, waar je vijf jaar dag in dag uit heengetrokken was, — en waar je eigenlijk zoo veel van was gaan houden...
Of... morgenavond zou ze zich in slaap huilen, omdat ze gezakt was. Hoe moest dat wel zijn... gezakt... gezakt... alles voor niets geweest. O, wanhopig. Vader en moeder zouden er natuurlijk een fuifje van maken, als ze zakte, omdat ze het zoo ellendig voor haar zouden vinden, dat ze voor niets zoo hard had gewerkt. Met een fuifje zouden ze haar er over heen willen helpen, — alsof dat kon!
Ze zou huilen, huilen zonder eind, van akeligheid ...
Bij voorbaat begon ze maar vast een beetje. En dat bleek juist het eenige middel om in te slapen...
* ❖
❖
Het eerste, wat ze hoorde, toen moeder haar wekte voor de laatste ronde, was het ruischen van den regen. Heerlijk! Niet loom je voortsleepen door de hitte, maar frisch, met je regenjas aan, er door fietsen en met natte wangen en natte