163
„Wie is Dikkie?” vroeg vader slaperig. „Een mede-slachtoffer?”
„Geen slachtoffer, maar een slachter. Ik weet niet eens, hoe hij heet. Ik heb hem Dikkie gedoopt.”
„Heb je ’t hem gezegd? Hij zal ’t wel gezellig vinden.”
„Ik kon het hem nog niet zeggen, want eerder dan op dit oogenblik wist ik het nog niet. Maar nu valt me in, dat hij maar Dikkie moet heeten. Vindt u ook niet?”
„Hoe kan ik daar nu over oordeelen?” verweet moeder. „Ik heb den goeien man nog nooit gezien.”
„U begrijpt toch wel, dat hij dik is!”
„O, juist. Ja, dan lijkt het mij wel een geschikte naam. En zoo origineel.”
„Prikkebeen en Dikkie,” soesde vader. „Dan was jij zeker Prikkebeen.”
Er volgde een ratelender slag dan er dien avond nog geweest was. Onwillekeurig schokten ze alle drie even in elkaar.
„Die was raak,” zei vader.
Ze waren er even stil van en in die stilte dacht moeder, of het nu wel echt was bij Greet, dat ze lolletjes maakte over het examen terwijl ze er midden in was, — of dat ze zich groot hield. In elk geval was het prettig zoo.
„Wat zul je morgen slaperig zijn,” zei moeder bezorgd.
„Als het onweer voorbij is, slaap ik subiet.”
Maar toen het onweer zoowat voorbij was, en ze met loome en half verstijfde beenen naar haar eigen kamertje ging, sliep ze lang zoo subiet niet,
11*