161
altijd nog verder zien. Verleden jaar in de vacantie, toen ik Wies in de huishouding hielp en ik haar aanbood, — met hetzelfde doel, — van school te gaan en haar te blijven helpen, — en toen ze dat aanbod van de hand wees, — toen heb ik me dien vrijer al gewenscht. Maar hij is in den loop van het jaar niet komen opdagen. Sneu, hè?”
„Erg sneu. Hij had dan meteen kunnen verbieden, dat je vriendin zich ook zoo af beulde, dan waren we allebei meteen geholpen. Ja, nou is ’t eenmaal niet anders.”
Toch, ondanks hun gelatenheid, leefde er in beiden nog een stille hoop, dat het misschien nog mee kon vallen. Maar niet eens tegenover zichzelf wilden ze dat erkennen. Want als je zakte, was het altijd nog beter als je niet anders gedacht had dan te zakken, dan als je gehoopt had er te komen.
Maar toen kwamen er de twee dagen van het mondeling. Greet met één vrijstelling, Marthi met twee. Eén vrijstelling was niet veel, — maar altijd beter dan niets, en het sprankje hoop gloeide aan, hoe hardnekkig ze het ook trachtten weg te loochenen.
De eerste mondelinge dag was een kokend-heete. Candidaten en examinatoren waren diep te beklagen. Er was een heel dikke meneer bij het examen, die meer dood dan levend was en werkelijk onschadelijk. Greet, die met haar magerte veel minder te verduren had, was vol menschelijke en teedere gevoelens voor hem, die ze slechts ternauwernood kon verbergen.
Of het nu door die menschelijke gevoelens kwam, — maar onder ’t examen voelde ze zich
Tante Griet. 11