HOOFDSTUK XI.
Het schriftelijk was maar matig geweest. Marthi en Greet hadden vergeleken, uitgeplozen, gewikt, gewogen en waren tot weinig opwekkende resultaten gekomen.
„Maar daarom niet getreurd,” was Marthi’s refrein. Maar in d’r hart treurden ze er allebei wèl een beetje om.
„Het eenige, wat me nog redden kan, is de vrijer,” zei Greet verslagen.
„Is er dan een man in je leven?” vroeg Marthi, met te weinig geestdrift voor zoo ingrijpend een onderwerp.
„Wel vier. Vader en Eetje en Teetje en Peetje.”
„En wat kunnen die in het onderhavige geval
doen?”
„Zij niets. Wat me redden kan, is een echte
vrijer, die nog net op tijd opdaagt om me te verbieden, me langer af te beulen voor het mondeling examen, en dan trek ik me terug in de illusie dat ik er anders wel was doorgekomen.”
„Dat is niet fair.”
„Nee, maar nood breekt wet. Wat zul je er aan doen, als die man er zoo op staat!”
„Ik zou zoo’n doordrijver niet eens willen
hébben!”
„O, ik in dit geval dolgraag. Later kon ik dan