157
laatste, toch al niet meer welige, beetje verstand had moeten gebruiken, om telkens een gesprek te beginnen en hoe hij eindelijk, toen hij dan es wat uit zichzelf zou zeggen, zoo iets misselijks had beweerd: dat ze er vandaag zoo leuk uitzag.
In gedachten bauwde ze het na, met een lijmerige stem. En langzamerhand ging ze zich afvragen, waarom ze toch zoo kriebelig was geworden na dat laatste, dat voor haar de deur dicht had gemaakt.
De jongens op school, — als je daarmee praatte, dan waren het de gewone huis-, tuin- en keuken-praatjes, en toch was er niets bij, dat vervelend werd. Je praatte over je werk, over je cijfers, over je leeraren, over je kansen bij het examen, over rechtvaardig of gemeen optreden van een leeraar,
— en ook wel eens over de dingen die in de krant stonden en waar je allemaal vol van was.
Wien van de jongens zou het ooit invallen, je te vertellen, hoe je er uitzag? Je vond het zelf fijn, als je een jurk aan had, die je gezellig stond,
— je keek dan eens een keertje vaker in den spiegel, — nogal glad! Maar dan zeiden de jongens op school nog niet, dat je er leuk uit zag!
Het was dit: zoo één als Nol, die beschouwde meisjes als... nou ja, met meisjes kon je nergens over praten, die gaven er alleen maar om, of ze er leuk uit zagen en als je met meisjes praatte, dan deed je ze het plezier van iets over d’r uiterlijk te zeggen. Bah!...
Twee kleine handjes legden zich op haar schoot. Een licht lijfje trok zich op aan die handjes en een paar groote, blauwe oogen keken benieuwd in Greets gezicht. Greet merkte het maar half.