156
toekwam, merkte ze opeens, dat ze warempel zat te huilen. Te huilen van woede en van verdriet om dien verloren morgen.
„Mispunt, — mispunt, — mispunt,” zei ze hardop, een heele boel keeren achter elkaar. Ze kon zoo gauw geen variatie op dat woord vinden. O, wat een morgen! O, wat zonde, wat zonde!
De arme, mishandelde trappers kalmeerden haar langzamerhand toch een beetje. Haar vaart verminderde, haar woede-tranen ook. En het was een bijna bezadigde Greet, die tenslotte haar fiets in Wies’ fietsenhok zette.
De eerste, die ze tegen ’t lijf liep, was Dina.
„Waar is mijn zus?” vroeg Greet dadelijk, — zooals ze vroeger, nog niet goed en wel in huis, altijd gevraagd had: „Waar is moeder?”
„Mevrouw is een boodschap.”
„O jakkes,” zei Greet. Hoe kon Wies nou een boodschap gaan doen, terwijl zij ...
„Wie is er dan wel thuis?”
„Alleen de kinderen.”
Alleen de kinderen. Wat had je nou aan kinderen, als je zoo door alles heen was van verveling en akeligheid!
Ze slingerde zich landerig de huiskamer in, waar Eetje op vlugge beentjes ontdekkingstochten ondernam en waar Teetje op vier pootjes rondzeilde.
Ze zag ze nauwelijks, ging met een kwaden smak
op den divan zitten, de ellebogen op de knieën, het hoofd op de handen, een diepe rimpel in het voorhoofd.
Als Wies nu thuis was geweest, dan zou ze haar hart hebben kunnen uitstorten, hoe er geen zinnig woord bij dat jog uitkwam, — hoe ze haar