158
Toen waagde het wankele lijfje het, maar op één hand te steunen. Het andere handje ging omhoog, met een puntig wijsvingertje, dat voorzichtig streek over den rimpel in Greets voorhoofd.
„Boosj,” wist Teetje, met een zeker knikje.
Maar toen was die mooie rimpel ook meteen kapot, — heelemaal weg!
Greet had in een oogenblik het heele menschje op haar schoot, en in Teetjes nekje bezwoer ze:
„O, Teetje, Teetje, zul jij nooit zoo’n akeligheid worden als je groot bent?”
„Ja,” knikte Teetje ijverig.
„Néé moet je zeggen, Teetje!”
„Ja,” knikte Teetje.
Daar kwam Eetje, aangetrokken door de gezelligheid van het blijkbaar intieme gesprek, op lichte voetjes aangedraafd.
„Tanna Jiet?” vroeg hij. „Bij me?”
„Toe maar, toe maar!” zei Greet, „er kan nog meer bij!”
En toen Eetje zich ook geïnstalleerd had:
„Eetje, jij zult toch nooit zoo’n naarling worden als je groot bent?”
„Ja,” zei Eetje.
„Dat meen je toch niet?”
„Ja,” zeiden toen Eetje en Teetje tegelijk. Want Eetje en Teetje hadden iedere week een nieuw mode-woord, — meestal een nieuwe buit van hun ontdekkingstochten in het land van de Nederland-sche taal.
En deze week was het mode-woord toevallig: „Ja!”
„Zul jullie nooit zoo onmogelijk zelf-ingenomen worden?”