150
of drie geleden, constateerde Greet. Maar hij speelde mooi.
Ze ontmoette hem, toen hij klaar was met de les,
„Hé, Greetje!” deed hij joviaal.
Greet vond het afschuwelijk om „Greetje” te
worden genoemd, — zeker door zoo iemand als Nol. Ze betrapte zich er op, dat ze eigenlijk verwacht had, met „juffrouw” te worden aangesproken. Ze had er heusch wel den leeftijd voor.
„Dag Nol,” zei ze strak.
Bernard vertelde hem, wat Greet hier kwam doen. Uitrusten en zich vermaken.
„Dan kan ik misschien tot dat vermaak meewerken,” zei hij met even iets als een buiging.
Het lag Greet op de lippen om te zeggen: „Ja, je bent nogal vermakelijk,” maar ze hield zich fatsoenlijk en vroeg dom: „’k Zou niet weten hoe!”
„Fiets je?” vroeg Nol.
„Ja, ik heb al twee morgens gefietst.”
„Zal ik je dan morgen met de fiets komen halen?”
Greet weifelde even. Het was eenzaam en eentonig, eiken morgen in je eentje te fietsen, — maar met Nol? Ze keek vragend in de hoogte naar Bernard.
Bernard, die geen verstand had van onuitstaanbare joggen, en hen alleen apprecieerde naar hun muziek, was onnoozel verrukt van het plan.
„Ja, zeg!”
„’k Weet niet,” aarzelde Greet, „of ik morgen wel kan.”
„Waarom niet?” vroeg Bernard. „Je bent hier toch zeker met vacantie? En dan ben ik meteen