149
Ze genoot eerst altijd het badje van Peetje. Teetje zat er meestal bij op Wies’ bed en gaf commentaar. Maar Eetje bleef gevangen in de huiskamer, sinds hij den natten spons had bemachtigd en in Wies’ bed grondig uitgeknepen, sinds hij het zeepje in zijn mond had gestopt en hij onverwacht de afloopkraan van het kinderbadje had opengezet.
Peetje lachte al hardop en richtte zich op als een springveer. Peetje was het wonder van de familie, want ouders noch grootouders noch tante herinnerden zich, dat Eetje en Teetje zoo vroeg er bij waren geweest. En de onsen, die hij iedere week aankwam, grensden aan het onbehoorlijke.
„Je zou zeggen, een zoon van zóó’n mageren vader,” verwonderde Greet zich.
„Wie zegt je, dat Bernard geen mollig kindje is geweest?”
Maar dat ging er bij Greet niet in: Bernard een mollige baby. Toen hij thuiskwam keek ze zijn gezicht er nog eens extra op aan.
„Nee,” zei ze, „onmogelijk.”
Bernard is er nooit achter gekomen, wat er onmogelijk was ...
Twee morgens zwalkte ze alleen op de fiets rond. Ze ontdekte veel, en de meegenomen leerboeken bleven gesloten. En toch werd het een beetje eenzaam, zoo zonder doel er op uit te trekken.
Dien middag had Nol les bij Bernard. Dat werd nu al bijna acht jaar, dat hij Bernards leerling was. Een volwassen jongen van negentien jaar, met geplakte haren en een verwaanden glimlach. De glimlach was erger geworden dan zoo’n jaar