148
Melk had altijd een donkere schaduw geworpen over Greets jeugd.
„Als ik gèk ben!” beloofde ze.
Wies verhief zich met een air, of ze Greets grootmoeder was.
„Mèlk drinken,” herhaalde ze met klem.
Greet keek Wies met nieuwsgierige verbazing aan. Toen schudde ze afkeurend het hoofd.
„Het staat je niet, Wies. Je moet nooit iets willen voorstellen, dat je niet staat, ’t Is maar, dat je ’t weet, tegen dat je kinderen zoo groot zijn. Ze lachen zich later dood, als je dat air aanneemt. Heusch, je zult nog wel eens aan me denken.” „Als ik er nou een scheutje koffie in doe?” vleide Wies, tien toontjes lager.
„Zie je, zoo mag ik het hooren. Nee, engel, ik wil alles voor je doen, maar melk drink ik niet.” „Maar je bent zoo mager, — ’t is géén gezicht!” „O, je zult eens zien, hoe ik hier opbloei, zonder melk! Ik eet tegen jou en Bernard op.”
„Dat doet Bernard ook, flink eten,” zuchtte Wies. „En het resultaat is maar poover.”
Nu mengde Bernard zich in de discussie.
„En ik drink wèl melk, dus je ziet!”
„Nou, zeg nou zelf!” triomfeerde Greet.
„Jullie zijn vervelend,” mokte Wies. En Greet dronk géén melk, maar at acht boterhammen...
Een beetje raar vond Greet het wel, om Wies ’s morgens in de hoede van Dina met al haar kroost en al haar werk achter te laten en er zelf met haar fiets op uit te trekken. Ze had het zoo anders meegemaakt, het vorig jaar. Maar toen was ze ook nog niet het slachtoffer van de wetenschap.