146
„Als u wist, hoe stom ik nog ben, zou u zoo roekeloos niet met mijn weken omspringen.”
„Kind, geloof me,” zei vader, „ik maak me geen ongegronde illusies over je geleerdheid. Maar snap je nou niet, dat je de overige weken dubbel kunt werken, als je eerst weer een beetje in goeien doen bent gekomen?”
Greet plantte haar lange armen op de tafel en legde haar lelie-blank zomersproeten-gelaat op de handen. O, ’t leek haar heerlijk, een weekje op adem te komen. Het was beestachtig werken geweest den laatsten tijd. Als ze ook maar niet zoo vast in haar hoofd had gezet, dat ze er komen wou...
Maar kon het er wel af? Iedere week was er één. Als ze dacht aan de stof, die ze nog door moest werken, werd ze gewoonweg koud. En dan een heele week niet werken? Misschien vergat ze ook nog wel alles in die week!
„’k Wou dolgraag,” zei ze voorzichtig, „als het maar kon.”
„Onzin. Natuurlijk kan het. Je werkt daarna dubbel.”
„Maar hoe wilt u dan, dat ik mijn vroegere schoonheid herkrijg?”
„D’ruit. Op de één of andere manier d’ruit en geen boek mee.”
O, stel je toch voor, een week lang al de nachtmerries uit je hoofd zetten!
„Waarheen?”
„Ja,” zei moeder, „daar zitten we juist mee. Het moet natuurlijk gezellig zijn, en niet duur.”
„Wies?” opperde vader.
„Wies zal me niet kunnen hebben. Die heeft al