HOOFDSTUK X.
„De wetenschappelijke beslommeringen verhoogen je schoonheid niet,” vond vader.
Greet bekeek zich aandachtig in den spiegel.
„Ik dacht juist van wel,” verzette ze zich tegen vaders vernietigend oordeel. „Juist deze gelaatstint, zoo lelieblank! De zomersproeten komen er ééns zoo goed op uit.”
„Maar als vader nu eenmaal niet van zomersproeten houdt?” kwam moeder tusschenbeide. „Over zulke dingen valt niet te redeneeren. Ik vind je trouwens ook lang zoo schoon niet als weleer.”
„Was ik dan schoon?” vroeg Greet verheugd. „Bééldschoon. Maar ach, dat is voorbij. — Maar nu in ernst: we moeten er iets aan doen.” „Schoonheidsinstituut,” stelde Greet voor.
„Nee, nou geen gekheid meer,” sloeg vader spijkers met koppen. „Je bent zoo mager als een lat geworden en je gezicht is gewoon groezelig.” „Van de wetenschap.”
„Dan moeten we juist aan die wetenschap paal en perk stellen. Je krijgt nu een heele boel weken om voor jezelf te werken vóór het eindexamen begint, en de eerste week gebruik je om je schoonheid te herstellen.”
Greet keek benauwd.
Tante Griet. 10