136
De generaal bekeek de hoogte van het hek en haar heele gezicht drukte uit: „Dat kan niet.” En Greet dacht: „Je moest eens weten, wat Eetje allemaal wel kan!”
„En Theo dan?”
Greet moest zich even bedenken. Wie was Theo? Was hier een Theo in huis? ...
„O, U bedoelt Teetje!” ontdekte ze verlicht.
Geen antwoord. Op zulke dingen ging de generaal niet in. Ze bleef Greet afwachtend aankijken, duidelijk te kennen gevend, dat ze antwoord verwachtte, — antwoord!
„Teetje heb ik er uit genomen,” bekende Greet.
„O,” verpletterde haar de stem van de generaal. „Het is héél onverstandig. De kinderen mógen niet uit de box, als er niemand in de kamer is.”
„Niemand?” dacht Greet. „En ik dan?” Het flitste door haar heen: „Wees uzelf, sprak ik tot iemand. Maar hij kon niet: hij was niemand.” Ja, ze leerde niet voor niets letterkunde voor het eindexamen!
„Ik was in de kamer,” durfde ze. Maar de generaal ging daar niet eens op in. Ze nam zonder een woord Teetje van Greets schoot en plantte hem in het loophek.
Teetje gaf een zwak protest-geluidje.
„Bij me! Bij me!” riep hij. En toen Greet hem niet te hulp kwam: „Tanna Jiet!”
„Daar heb je ’t al,” constateerde de generaal grimmig. „Dat komt er van, als de kinderen verwend worden.”
Greet stond voorzichtig op en zette Eetje op zijn vier pootjes op den grond. Eetje kroop met rassche schreden onder de tafel door naar den