135
hand leggen. En dan eens kijken naar het onvermoeide zwoegen van Eetje en luisteren naar zijn ingespannen steunen.
„Ik ga nooit meer naar huis,” dacht ze, bijna spinnend als een poes van zaligheid.
Boms! !
Eetje’s pogingen waren plotseling met succes bekroond. Zóó plotseling, dat Greet het moment zelf, waarop het gebeurde, gemist had. Zóó plotseling, dat Eetje, breeduit op den grond buiten het loophek, eerst even verdwaasd zat te kijken.
Toen de verdwazing geweken was en het tot Eetje doordrong, dat het „bravo” van Tanna Jiet een lof inhield, ging hij, bescheiden glimlachend, op vier pootjes zitten: twee geknielde achter- en twee steunende voorpootjes. En kroop in allerijl naar zijn broeder toe, die hem van den hoogen schoot van Tanna Jiet af vreugdevol verwelkomde.
Hij trachtte met zóó duidelijke gebaren tegen Greet op te klimmen, dat Greet hem maar te hulp kwam: ze beperkte Teetje’s gebied tot één helft van haar schoot en hielp met haar éénen vrijen arm Eetje op de andere helft.
„Sjiesjóó!” zei Eetje voldaan.
„Sjiesjóó!” beaamde Teetje.
En alles zou bijna volmaakt van plezierigheid gebleven zijn, wie weet hoe lang nog, als op dat oogenblik de generaal niet binnen was gekomen.
Zoo schuldig als Greet keek, zoo uitdagend keek Eetje. Teetje keek heelemaal niet; die zat in aanbiddende aanschouwing van zijn broeder verzonken.
„Hebt u de kinderen uit de box genomen?” ondervroeg de generaal, als een lid van de inquisitie.
„Ja... nee... Eetje is er uit zichzelf uitgekomen.”