133
Tot ze Greet ontdekten.
Eetje liet zijn voet zakken, leunde vriendschappelijk over het hek en zei: „Mamma.”
„Jongen, ik ben je mamma niet. Ik ben tante Griet.”
„Tanna Jiet,” zei Teetje. En Greet begreep nu, wat Wies bedoeld had: hij aaide met zijn stemmetje.
„O, Teetje, zeg dat nog eens!” riep ze verrukt. „Tante Griet.”
„Tanna Jiet,” zei Teetje weer, en Eetje, het effect merkend van dat tooverwoord, riep luidkeels: „Tanna Jiet! Tanna Jiet!”, met een uitdagenden straatjongens-lach, waar geen tien politieagenten tegenop zouden hebben gekund.
„Woonwagen-kind,” zei Greet, „waar haal je die brutale oogen vandaan?”