130
Eetje’s tactiek: die had zich tenminste tot het uiterste verzet. Dat was een kerel!
„En hoe is het afgeloopen tusschen de generaal en Eetje?”
„Eetje heeft het gewonnen,” bekende Wies beschaamd. „Hij heeft net zoo lang geprotesteerd, tot de generaal zich geen raad met hem wist en hem een poosje hier heeft gebracht. Peetje was toen twee uur oud. Eetje heeft op mijn voeteneind gezeten en was heel voldaan. Maar de generaal zei tegen Bernard en mij, dat dat geen opvoeding was.”
„Was het misschien ook niet,” weifelde Greet. „Maar jullie hadden het toch nog nooit bij de hand gehad, — hoe kon je dan weten, hoe je hem in zoo’n geval moest opvoeden?”
„Sommige moeders,” zei Wies met schuldige overtuiging, „weten dat zóó maar. Echt waar, — je leest het vaak genoeg. We hebben een heele-boel over opvoeding gelezen, hoor, — maar met Eetje hebben we gefaald.”
„Wat zei hij van Peetje?”
„Dag, zei hij, en toen wou hij zijn neusje indrukken en zijn oogjes ook, en toen heeft Bernard hem voor afleiding in den spiegel laten kijken. Maar de generaal mocht hem niet naderen.” „Een held, Wies. Daar groeit een groot man uit; let op mijn woorden. En Teetje? Wat zei die van Peetje?”
„Teetje?” — Wies lachte zacht voor zich heen, — „die zei: „Kinne.” Hij had mij hooren zeggen: „Wil Teetje kindje zien? Is dat het kindje?” en toen hij bij de wieg werd gehouden, zei hij telkens: „kinne”. Greet, hij aait met zijn stemmetje.