129
Tot haar grooten schrik trof ze, net als toen ze met Eetje en Teetje kwam kennis maken,
dezelfde generaal aan. Maar overigens was het décor toch heel anders: er was geen Fenna, maar een Dina, die angstig de orders van de generaal af wachtte; er waren op Wies’ kamer geen twéé wiegen, maar één, — natuurlijk de mooiste van de twee; er was in de huiskamer een loophek, waarin Teetje door de tralies vriendelijk opkeek naar wie binnenkwam en waarin Eetje verbeten pogingen deed over het hek naar de vrijheid te klimmen.
Greet kwam eerst in de kamer met de ééne
wieg.
„Kaal, hè?” zei ze tegen Wies, „zoo één tegelijk. We zijn het zoo anders gewend.”
„Maar hij is een lief jongetje en dat vergoedt veel.”
Het lieve jongetje was welgedaan als een gezeten burger en sliep zijn slaapje, in het bewustzijn, dat geen ander kind hem uit de mooie wieg naar de schamele wieg zou verjagen.
„Wat vinden Eetje en Teetje er van?”
„Eetje was niet te houden van woede, dat hij
niet aldoor bij mamma mocht zijn. Hij sympathiseert niet met de generaal, zie je.”
„Ik ook niet. Waarom heb je in ’s hemelsnaam de generaal weer laten aanrukken?”
„O, Bernard noch ik hadden genoeg moed om het niet te doen. We zijn allebei nogal bang voor haar en daarom moesten we wel.”
Greet kon de redeneering niet heelemaal volgen. Als je bang voor iemand was, en er was een mogelijkheid om aan die iemand te ontsnappen, dan dééd je dat toch? Ze voelde veel meer voor
Tante Griet. 9