HOOFDSTUK IX.
Het werden geen twee zusjes. Het werd zelfs niet één zusje.
Het werd, op een stralenden, vroegen lentedag in Februari, een rond, stevig en eigenwijs broertje, dat luisterde, — of eigenlijk nog niet luisterde, — naar den naam van Peter. En omdat Peter natuurlijk Peetje heette, begon de collectie al aardig compleet te worden: Eetje, Teetje en Peetje.
Greet, die den laatsten tijd bij wijze van spreken eindexamen at en dronk, — want op school hoorde je van niets anders, hoezeer ook nog eenige veilige maanden hen van het schrikbeeld scheidden, -— Greet werd plotseling uit deze sfeer gerukt door de komst van Peetje. Van Greet, de leerlinge, Greet, de blokster, Greet, de wiskunstenares, Greet, de vreemde-talen-lezeres, werd ze opeens weer tante Griet.
Deze tante Griet nu ondernam den eersten Zondag in Peetje’s leven een excursie naar de drie neven. Ze had de twee neven den laatsten tijd, door haar wetenschappelijke beslommeringen, schromelijk verwaarloosd. Van hun wekelijks groeienden woordenschat wist ze alleen iets uit de brieven van Wies, — maar ’t kon ook wel zijn, dat Wies er een sausje overheen goot, en dat er in werkelijkheid van den woordenschat niet veel te merken viel.