127
vergelijken met Maartje, maar van den naam
Maartje was nu toch alle aardigheid af. En ze
kon Maandag over een week al komen.
Toen Dina weg was, zei Wies: „Dan hou jij ook nog wat vacantie over.”
„Gepensionneerd,” zei Greet tragisch.
Wies, veel kleiner dan Greet, richtte zich zoo
hoog en waardig mogelijk op.
„Als jij den euvelen moed hebt,” zei ze onheilspellend, „om te durven beweren, dat je het èrg vindt, gepensionneerd te worden, — dat je liever ’s morgens om zeven uur opstaat om te zwoegen tot den avond dan dat je met Marthi fietst...” „Dan ... ?”
„Dan verklaar ik je voor abnormaal. Dan erken ik je niet als zuster. Dan...”
„Stil maar, stil maar. Ik bèn niet abnormaal. Ik vind het dol om met Marthi te fietsen. Maar Wies...”
„Nou?”
Greet rekte zich even uit, met dichte oogen.
„’k Weet niet...” zei ze toen. „Ik wil altijd wel alles tegelijk hebben. Ik wou... ik wou, dat ik Eetje en Teetje in mijn fietstasch mee kon nemen...”
„Tantes hebben geen hart,” zei Wies grimmig. „Ik schaf alle tantes af.”